Terug naar overzicht

Minder ontslagbescherming stichtingsbestuurders door invoering WBTR

Per 1 juli treedt de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR) in werking. Hiermee veranderen de regels voor het bestuur van een vereniging, stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij. Dit heeft ook arbeidsrechtelijke gevolgen voor het ontslag van stichtingsbestuurders.

Huidige ontslagmogelijkheden stichtingsbestuurders

Stichtingsbestuurders nemen een bijzondere positie in. Zij hebben een dubbele rechtsbetrekking (juridische verhouding) met de stichting. Zij hebben een verhouding met de rechtspersoon door de benoeming als bestuurder van de stichting en zij hebben een arbeidsrechtelijke verhouding nu zij werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst. Vóór de invoering van de WBTR levert een ontslag als bestuurder niet automatisch ook het einde van de arbeidsovereenkomst op. Je blijft als bestuurder dus in dienst totdat de rechter de arbeidsovereenkomst ontbindt, het UWV toestemming heeft verleend om de arbeidsovereenkomst op te zeggen of totdat partijen het samen eens worden over een beëindiging.

Naast deze mogelijkheid tot ontslag kan een stichtingsbestuurder ook op verzoek van het Openbaar Ministerie of een belanghebbende worden ontslagen op grond van artikel 2:298 BW indien de bestuurder handelt in strijd met de wet of statuten of zich schuldig maakt aan wanbeheer. Met de invoering van de WBTR wordt dit anders.

Verandering ontslag stichtingsbestuurder met invoering WBTR

Met de invoering van de WBTR wijzigt artikel 2:298 BW en krijgt de rechtbank meer beoordelingsvrijheid bij een verzoek tot ontslag van een bestuurder of commissaris middels een verzoek door het Openbaar Ministerie of een belanghebbende. De WBTR breidt de gronden voor zo’n ontslag namelijk uit. Dit wordt ook mogelijk bij verwaarlozing van haar taak als bestuurder, bij een ingrijpende wijziging van omstandigheden, bij andere zwaarwegende redenen en bij het niet (behoorlijk) voldoen aan een bevel om inzicht te geven in de organisatie en financiën van de stichting.

Verder wordt er met de invoering van de WBTR een nieuw wetsartikel geïntroduceerd, namelijk artikel 2:298a BW. Hierin wordt vastgelegd dat de rechter de arbeidsovereenkomst van een (ex)bestuurder niet kan herstellen. Het gevolg is dat de rechter dus niet tot herstel van de arbeidsovereenkomst kan overgaan en dat de bestuurder dus niet meer kan claimen dat hij terug wil naar de stichting.

Dit betekent dat de arbeidsovereenkomst van een stichtingsbestuurder kan worden opgezegd zonder voorafgaande toestemming van het UWV of de rechter. De voorafgaande ontslagtoets is hiermee komen te vervallen.

Natuurlijk is er wel een voldragen ontslaggrond nodig voor het ontslag. Als een voldragen ontslaggrond ontbreekt, kan de bestuurder een billijke vergoeding bij de rechter vorderen. Echter, net zoals bij het ontslag van bestuurders van een besloten of naamloze vennootschap levert een ontslag op de h-grond relatief snel een oplossing hiervoor. Zonder een voldragen ontslaggrond staat de mogelijkheid open voor een verzoek tot een billijke vergoeding door de stichtingsbestuurder.

Conclusie

De WBTR zal ertoe leiden dat de bijzondere positie van de stichtingsbestuurder, en meer specifiek de ruimere ontslagbescherming, zal verdwijnen. Het kan dan denkbaar zijn dat het zinvol wordt voor een stichtingsbestuurder om -net als een bestuurder van een BV of NV – een contractuele ontslagvergoeding af te spreken. Op die manier kunnen onzekerheden worden weggenomen en mogelijke procedures achteraf worden voorkomen. Eventuele hulp hierbij kan gegeven worden door de specialisten van W&W Arbeidsrecht.

Neem direct contact op